De Opiumwet

Hier treft u informatie aan over de Nederlandse Opiumwet. Daarbij kan niet worden ontkomen aan een korte beschrijving van de wetsgeschiedenis. Waarom heet de wet waarin regels zijn gesteld met betrekking tot veel en zeer uiteenlopende verdovende middelen eigenlijk de Opiumwet? Voor het vinden van een antwoord op deze vraag gaan we terug in de tijd.

De geschiedenis van de Opiumwet
Het gebruik van en de handel in verdovende middelen kent in ons land een 350 jaar lange (koloniale) geschiedenis. In 1800 werden de dienaren van de Verenigde Oost-Indische Compagnie ambtenaren van de Nederlandse Staat. In Nederlands Indië floreerde de handel in opium en de Staatskas profiteerde daarvan volop. In 1880 was de Nederlandse regering nog van mening dat de gevolgen van het gebruik van opium minder schadelijk waren dan de gevolgen van het drinken van sterke alcoholhoudende drank.1 Als we vandaag de dag een dergelijke vergelijking zouden maken, blijkt al gauw dat het gebruik van wettelijk verboden genotsmiddelen vanuit het oogpunt van schade voor de volksgezondheid in het niet valt bij het gebruik van de legale genotmiddelen. Citaat uit de “nationale drug monitor 2007”2:

Roken is in Nederland nog steeds de belangrijkste oorzaak van voortijdige sterfte, al lijkt zich een lichte daling af te tekenen. In 2006 overleden 19 366 mensen van 20 jaar en ouder aan de directe gevolgen van roken, zeven procent minder dan in 2000. In 2006 waren alcohol gerelateerde aandoeningen de directe aanleiding voor ruim 700 sterfgevallen; in nog zo’n duizend gevallen stonden alcohol gerelateerde aandoeningen als secundaire doodsoorzaak geregistreerd. De stijging in de totale sterfte door alcohol gerelateerde aandoeningen vanaf begin jaren negentig zette zich sinds 2004 niet door. De sterfte aan alcohol gerelateerde aandoeningen en tabak is vele malen groter dan de (hard)drugssterfte. In 2006 stonden 112 gevallen van directe sterfte door drugs geregistreerd (‘overdosis’), iets minder dan in 2005 (122). In de afgelopen tien jaar fluctueert dit aantal tussen 103 en 144 gevallen. Vergeleken met een aantal andere Europese lidstaten blijft de drugssterfte in Nederland gering”.

Ook in een door het RIVM verricht onderzoek dat in 2009 is gepubliceerd3 lezen we: “Alcohol en tabak scoren hoog op de schaal van schadelijkheid voor de volksgezondheid en zijn daarmee relatief schadelijker dan veel andere soorten drugs. Dit blijkt uit een nieuwe risico-evaluatie van het RIVM, waarin 19 genotmiddelen zijn gerangschikt naar hun schadelijke karakter. Heroïne en crack blijken samen met alcohol en tabak relatief het meest schadelijk te zijn. Paddo’s, LSD en khat scoren relatief laag op deze lijst. Het gebruik van cannabis en ecstasy valt in deze rangschikking op individueel niveau in de middencategorie, maar scoren vanwege de omvang van het gebruik hoger als je naar de schadelijkheid voor de gehele bevolking kijkt”.

Terug naar de geschiedenis. Op 23 januari 1912 werd een verdrag gesloten ter bestrijding van opium, omdat het gebruik van opium en de handel daarin internationaal als een probleem werd ervaren.

Ondanks het feit dat Nederland in het voormalige Nederlands Indië in die tijd nog steeds flink geld verdiende aan de handel in opium sloot het zich aan bij dit verdrag. Naar aanleiding van dit verdrag werd in de eerste nationale Opiumwet van 4 oktober 1919 een regeling opgenomen ter bestrijding van het opiumprobleem. Hiermee is de naam voor deze wet verklaard.

De Opiumwet die op 12 mei 1929 in werking trad4 kwam voort uit de onderkende noodzaak om de bepalingen betreffende opium en andere verdovende middelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het op 19 februari 1925 te Genève tussen Nederland en andere staten gesloten internationale opiumverdrag.5 Deze wet kende evenals het verdrag veel meer verdovende middelen dan alleen opium. Sindsdien is ook het opzettelijk aanwezig hebben van “Indische hennep en hennephars” (cannabis) strafbaar gesteld. Het gebruik van cannabis werd in Nederland onder invloed van de flowerpower-, de Vietnam- en de Provobeweging pas in de jaren zestig bekend.

Hoe effectief zijn wetten en verdragen? De verdragen en de Opiumwet maakten geen einde aan de staatshandel in opium in de Nederlands Indische koloniën. Ter illustratie; tussen 1904 en 1940 bedroeg de winst op de zoutregie 163 miljoen gulden, terwijl de winst op de opiumregie 456 miljoen gulden bedroeg. In 1942 maakten de Japanners een einde aan de koloniale overheersing en daarmee ook aan de Nederlandse opiumhandel in de Indische archipel.

Na de Tweede Wereldoorlog is de Verenigde Naties belast met het tot stand brengen van internationale verdragen. Zo zagen het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen6, het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen protocol tot wijziging van dat verdrag7 en het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen8 het licht. Het gaat bij deze verdragen voornamelijk om het beperken van de legale handel in verdovende middelen tot medische en wetenschappelijke doelen. Recreatief gebruik van verboden verdovende middelen dient op grond van deze verdragen te worden tegengegaan. Dit doel wordt nagestreefd door middel van een systeem van administratieve controle en strafrechtelijke sancties.

Ook op Europees niveau heeft Nederland diverse verdragen en akkoorden bekrachtigd waaruit verplichtingen voortvloeien. Denk hierbij onder andere aan het Akkoord van Schengen van 14 juli 19859.In artikel 72 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen

van 1990 staat in het tweede lid: “De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe de

illegale uitvoer van verdovende middelen en psychotrope stoffen van enige aard, cannabis inbegrepen, alsmede de verkoop, verstrekking en aflevering van die middelen en stoffen, bestuurlijk en strafrechtelijk tegen te gaan”. In afwijking van het bepaalde in dit artikel worden in Nederland onder strikte voorwaarden coffeeshops gedoogd van waaruit cannabis wordt verkocht.

De Opiumwet is aanvankelijk uitsluitend ter bescherming van de volksgezondheid tot stand gebracht. Later zal nog blijken dat vanaf 1999 de Opiumwet ook een rol heeft gekregen bij de handhaving van de openbare orde.

De Opiumwetlijsten
De Nederlandse Opiumwet maakt sinds 1976 een wettelijk onderscheid tussen de zogenoemde harddrugs (Lijst I) en softdrugs (Lijst II). Het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en drugs met een geringer risico (softdrugs) is gemaakt met het oog op de gebruiksrisico’s van de onderscheiden drugs. Langs deze weg is een duidelijke scheiding tussen beide drugsmarkten (harddrugs en softdrugs) aangebracht.

Niet alle genotmiddelen vallen onder de werking van de Opiumwet. Cannabis is niet de enige softdrugs die op Lijst II behorende bij de Opiumwet is vermeld. Een overzicht maakt dit duidelijk:

Middel  – Wetgeving

  • Alcohol – Drank en horecawet
  • Tabak  – Tabakswet
  • Khat – Warenwet
  • Anabole steroïden – Geneesmiddelenwet
  • Ketamine – Geneesmiddelenwet
  • Amfetamine – lijst I
  • Cocaïne – lijst I
  • Crack – lijst I
  • Ecstasy -lijst I
  • Heroïne -lijst I
  • LSD -lijst I
  • Metamfetamine -lijst I
  • Methadon -lijst I
  • GHB -lijst I
  • Hasjolie -lijst I
  • Paddo’s -lijst II
  • Benzodiazepines -lijst II
  • Buprenorphine -lijst II
  • Hasjiesj (hasj) -lijst II
  • Hennep (wiet) -lijst II

Cannabis in de Opiumwet
De softdrugs (cannabis) worden op de bij de Opiumwet behorende lijst II als volgt gedefinieerd:

Hasjiesj: een gebruikelijk vast mengsel van de afgescheiden hars verkregen van planten van het geslacht Cannabis (hennep), met plantaardige elementen van deze planten;

Hennep: elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. (Hasjolie is als tetrahydrocannabinol vermeld op Lijst I.)

Een hennepstek is een deel van de hennepplant en valt om die reden onder de werking van de Opiumwet. Datzelfde geldt voor “knipafval” en “gruis” van de hennepplant.

De Opiumwet behelst ten aanzien van hennep en hasjiesj (cannabis) een aantal verboden. Deze zijn vermeld in de artikelen 3 en 3b van de Opiumwet.

De verbodsbepalingen ten aanzien van cannabis

Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Het gebruik van cannabis is niet afzonderlijk strafbaar gesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State heeft op 13 juli 2011 echter geoordeeld, dat het gebruiken van cannabis strafbaar is, omdat dit het aanwezig hebben ervan impliceert.

De wetgever heeft er niet voor gekozen het bezit of eigendom van cannabis strafbaar te stellen. Het veel ruimere “aanwezig hebben” is strafbaar gesteld. Hierdoor is bijvoorbeeld het opzettelijk bewaren of vervoeren van cannabis welke aan een ander toebehoort strafbaar.

Artikel 3b
1.Elke openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van een middel als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 te bevorderen, is verboden.

2.Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ter zake van openbaarmaking in het kader van medische of wetenschappelijke voorlichting.

De strafbaarstelling ten aanzien van cannabis

De strafbaarstellingen vinden we in de artikelen 11 en 11a van de Opiumwet. Met betrekking tot geldboeten spreekt de wet over geldboetecategorieën. Deze zijn nader omschreven in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn zes categorieën, te weten:

  • de eerste categorie: € 390;
  • de tweede categorie: € 3.900;
  • de derde categorie: € 7.800;
  • de vierde categorie: € 19.500;
  • de vijfde categorie: € 78.000;
  • de zesde categorie: € 780.000.

Artikel 11
1.Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2.Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3.Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4.Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

5.Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

6.Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.

7.Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in lijst II vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj.

Wat onder een “grote hoeveelheid” als bedoeld in artikel 11, lid 5 van de Opiumwet moet worden volstaan, is vermeld in een algemene maatregel van bestuur.10 In de Tweede Kamer stukken lezen we dat er vanaf 201 planten sprake is van een grote hoeveelheid hennepplanten. Citaat: “bij illegale teelt zullen planten in de diverse stadia van groei worden aangetroffen en dus ook planten die (nog) geen werkzame stof bevatten, zoals stekken en grotere planten die nog niet tot bloei zijn gekomen. Bij het aantreffen van planten telt uitsluitend het aantal planten voor de al dan niet toepasselijkheid van het nieuwe vijfde lid van artikel 11, ongeacht de ontwikkelingsfase waarin deze zich bevinden en dus ongeacht of ze al werkzame stof opleveren”.11

Voor cannabis, het eindproduct en dus gereed voor consumptie, geldt het gewicht als criterium voor de al dan niet toepasselijkheid van het vijfde lid van genoemde bepaling. Bij cannabis is bewust rekening gehouden met het bestaan van gedoogde coffeeshops.

Daarom bedraagt de grens die daarvoor wordt gehanteerd de maximaal in een coffeeshop gedoogde handelsvoorraad (te weten 500 gram). Hoeveelheden vanaf 501 gram worden als grote hoeveelheid aangemerkt.

Artikel 11a
1.Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2.Artikel 140, derde en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.

Bij bewezenverklaring van de deelneming aan de organisatie en het andere Opiumwetdelict mag door toepassing van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht de maximumstraf van 8 jaren met een derde worden verhoogd. Op deze wijze wordt in de Opiumwet voldaan aan het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het “(Europese) kaderbesluit drugshandel”, dat er sprake moet zijn van een bedreiging met een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste 10 jaren voor de bedoelde feiten die in het kader van een criminele organisatie zijn gepleegd.12

1 Voorlopig Verslag Indische Begroting 1881: “Middelen in Indië”

2 http://www.trimbos.nl/Downloads/Producten/AF0809%20NDM%20Jaarbericht%202007%20compleet.pdf

3 Ranking van drugs; Een vergelijking van de schadelijkheid van drugs, RIVM 2009.

4 Staatsblad 1928, nr. 167.

5 Staatsblad 1928, nr. 356.

6 New York 30 maart 1961, Trb. 193, 81 (goedgekeurd bij Wet van 2 maart 1964, Stb. 1964, 111.

7 Goedgekeurd bij Wet van 19 november 1986, Stb. 1986, 720

8 Verdrag van 21 februari 1971, Trb. 1989, 129.

9 Trb. 1985,102.

10 Zie het Opiumwetbesluit. Staatsblad 2006 416 1.

11 Nota naar aanleiding van het verslag: Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 339, nr. 7.

12 Zie opnieuw: Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 339, nr. 7.

 

 

Top