Het Nederlandse coffeeshopbeleid

Het meest in het oog springend onderdeel van ons drugbeleid is het gedoogbeleid voor coffeeshops.

Een “coffeeshop” is in Nederland een openlijk verkooppunt van cannabis. De verkoop van koffie is een bijzaak. Alcohol mag er sinds 2007 niet meer worden verkocht. Naast de functie van winkel heeft een coffeeshop ook de functie van ontmoetings- en ontspanningsruimte en gebruiksruimte voor cannabis”.1

Ook het Openbaar Ministerie definieert “coffeeshops” als alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van cannabis plaatsvindt. Coffeeshops kunnen ook andere namen voeren, zoals reggaebar, koffiehuis, theehuis, shoarmahuis, sappenbar en dergelijke. Gekozen is voor de verzamelnaam coffeeshop, omdat die het meest is ingeburgerd.

Let wel, niet vanuit iedere coffeeshop wordt gehandeld in cannabis. Op Schiphol en bij diverse grote warenhuizen bijvoorbeeld treffen we “coffeeshops” aan, die niets met de handel in cannabis van doen hebben. Coffeeshop is dus geen synoniem voor cannabis.

Coffeeshops worden uitsluitend gedoogd indien de gemeente medewerking verleent aan een gedoogbeleid voor coffeeshops. Degene die een coffeeshop zonder voorafgaande toestemming van de gemeente vestigt, kan ook als hij de gedoogcriteria keurig naleeft strafrechtelijk worden vervolgd. De burgemeester kan een dergelijke coffeeshop bovendien gedwongen sluiten.

In een arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 7 november 20002 lezen we hierover:

3.5. De hier toepasselijke “Richtlijnen opsporings- en vervolgingsbeleid strafbare
feiten Opiumwet” (Stcrt. 1996, nr. 187), hierna aan te duiden als de richtlijnen,
luiden, voorzover nu van belang, als volgt:

“In de derde plaats is de richtlijn aangepast op het punt van de coffeeshops.
(Behalve …) is thans nadrukkelijker dan voorheen aangegeven dat het beleid met
betrekking tot de coffeeshops wordt bepaald in het lokale driehoeksoverleg,
uiteraard binnen de kaders van de richtlijn. Dat kan ook inhouden dat in een
bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops worden gedoogd. Als
coffeeshops zich toch in de gemeente vestigen, kan het OM optreden, ook als de
AHOJ-G criteria niet overtreden worden. Overigens is het niet zo dat de lokale
nuloptie door optreden van het OM alleen gehandhaafd dient te worden.
(…)
In de inleiding is al opgemerkt dat in het lokale driehoeksoverleg kan worden
afgesproken dat in een bepaalde gemeente in het geheel geen coffeeshops
worden gedoogd.
Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid
samen met de lokale autoriteiten. In het kader van een in de lokale driehoek
gezamenlijk uit te werken integraal beleid ten aanzien van coffeeshops, dient tot
een evenwichtige inzet van de verschillende beheersinstrumenten te worden
gekomen.
Een actieve rol vanuit het OM geeft het signaal dat justitie het belang van de
aanpak onderschrijft, de bestuurlijke aanpak strafrechtelijk ondersteunt en haar
eigen verantwoordelijkheid daarin neemt.
(…)
Als de driehoek heeft gekozen voor de zogenoemde nuloptie, kan ook zonder
overschrijding van bovenstaande criteria strafrechtelijk worden opgetreden tegen
coffeeshops die zich toch in de gemeente vestigen. Het sluiten van een
coffeeshop is voorbehouden aan het lokale bestuur”.

Anno 2009 schommelt het aantal gedoogde coffeeshops in Nederland rond de 700. Het gedoogbeleid is beperkt tot grof gezegd zo’n (klein) kwart van het aantal Nederlandse gemeenten. Met deze wetenschap is het onbegrijpelijk dat tegenwoordig steeds vaker wordt beweerd dat coffeeshops oorspronkelijk uitsluitend als lokale voorziening zouden zijn bedoeld. Nu slechts een klein kwart van de Nederlandse gemeenten een of meer coffeeshops gedoogt, is het overduidelijk dat veel coffeeshops van oudsher een regionale functie vervullen. Omdat in grensgebieden de regiofunctie niet eindigt bij de landsgrens is het niet meer dan logisch dat ook inwoners van ons omringende EU-landen gebruik maken van de coffeeshop.

De gedoogcriteria voor coffeeshops (AHOJG-criteria)
De verkoop van cannabis is formeel in strijd met de wet. Toch is er landelijk voor gekozen niet op te treden tegen de verkoop van cannabis vanuit gedoogde coffeeshops. Voor de coffeeshophouder en zijn personeel gelden hierbij de AHOJG-criteria. Dat betekent dat slechts onder strikte voorwaarden de verkoop van cannabis in coffeeshops wordt gedoogd. Onder de navolgende voorwaarden zal in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd, niet strafrechtelijk worden opgetreden:

A geen affichering: dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;

H geen harddrugs: dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;

O geen overlast: onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshop, geluidshinder, vervuiling en/of voor of nabij de coffeeshop rondhangende klanten;

J geen verkoop aan jeugdigen en geen toegang aan jeugdigen tot een coffeeshop: gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;

G geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder “transactie” wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper.

I alleen aan ingezetenen van Nederland mag toegang tot de coffeeshop worden verleend.

In de driehoek kan de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops worden vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De in de coffeeshop aanwezige voorraad cannabis mag in elk geval de 500 gram niet te boven gaan.3

Het ingezetenencriterium wordt niet in alle gemeenten in Nederland gehandhaafd. De burgemeester van Maastricht ziet toeristen die coffeeshops bezoeken als bron van overlast, terwijl de toeristen die de coffeeshops in Amsterdam bezoeken ook “luxe toeristen” genoemd worden. Kortom, van gelijkheid is op dit punt geen enkele sprake.

Indien in een coffeeshop de gedoogregels niet worden nageleefd, is de burgemeester op grond van art. 13b van de Opiumwet bevoegd de coffeeshop (tijdelijk) te sluiten. Als de burgemeester een bestuurlijke maatregel treft (sluiting) is de politie desondanks bevoegd om strafrechtelijk op te treden tegen de vastgestelde overtreding van de Opiumwet. Bijvoorbeeld door middel van aanhouding van degene die de Opiumwet heeft overtreden en de inbeslagneming van de cannabis. De Officier van Justitie kan de wetsovertreder voor de strafrechter dagen wegens overtreding van de Opiumwet. De coffeeshophouder voelt dit in de regel als een “dubbele straf”. Niet alleen wordt zijn zaak (voor bepaalde tijd) gesloten, maar hij wordt ook nog eens veroordeeld en is vaak zijn handelsvoorraad door de inbeslagneming kwijt.

Lokaal coffeeshopbeleid
In ruim 100 Nederlandse gemeenten is een lokaal coffeeshopbeleid tot stand gekomen. Gewoonlijk voorziet dit beleid in een maximum aantal coffeeshops, waarbij regulering plaatsvindt d.m.v. een (soort) vergunningenstelsel dat wordt gebaseerd op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In een dergelijk stelsel wordt door de burgemeester vergunning of verlof verleend om een alcoholvrije horeca-inrichting te exploiteren. Voor die alcoholvrije horeca-inrichting gelden dan niet alleen de verplichtingen op basis van de APV, maar ook de AHOJG-gedoogcriteria. Er zijn ook gemeenten die geen vergunningplicht kennen voor alcoholvrije horecabedrijven. In die gemeenten worden aan de exploitanten van gedoogde coffeeshops “gedoogverklaringen” door de burgemeester verleend.

Voor de verkoop van cannabis mag door de burgemeester geen vergunning worden verleend. Dit oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij herhaling. Citaat uit een uitspraak van 12 oktober 20004:

Vergunningstelsel Overlastverordening strijdig met Opiumwet; wel kan onder omstandigheden op grond van beleid een horecavergunning worden verleend voor inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. Verlenen exploitatievergunning onder voorschriften voor horeca-inrichting. In de inrichting worden softdrugs verkocht. Ingevolge art. 4.4 Overlastverordening dienen aanvragen die betrekking hebben op inrichtingen waar softdrugs worden verkocht, te voldoen aan de eisen gesteld in de Nota Drugsbeleid in Weert en de door de gemeenteraad aanvullend gestelde vestigingseisen.

Ingevolge art. 6.h Overlastverordening kan de vergunning worden geweigerd indien niet wordt voldaan aan genoemde eisen, voor zover het een inrichting betreft waar softdrugs worden verkocht. Met deze artt. heeft de gemeenteraad in feite een wettelijk vergunningstelsel in het leven geroepen op grond waarvan een vergunning kan worden verleend voor de exploitatie van een horeca-inrichting waar softdrugs ter verkoop worden aangeboden. Een gemeentelijke regeling, zoals de Overlastverordening, mag evenwel niet in strijd met een hogere regeling – de Opiumwet – een handelen met vergunning toestaan, welk handelen in die hogere regeling expliciet is verboden. Artikelen missen verbindende kracht”.

Het vergunningstelsel dat in sommige gemeenten in het leven is geroepen, wordt onder andere gebruikt om inrichtingseisen en gedragseisen te stellen aan de exploitatie van een coffeeshop. Intrekking van de vergunning of het verlof kan dan leiden tot sluiting van de coffeeshop.

Reclame en cannabis
Artikel 3b Opiumwet is eerder beschreven. Twee beleidscriteria gelden ten aanzien van artikel 3b Opiumwet:

– Het is onwenselijk dat niet-gebruikers ongewild geconfronteerd worden met (reclame voor) drugs. Dit betekent dat de aanpak van aanbieders die actief het publiek benaderen, voorrang dient te hebben;

– Gelet op het belang dat binnen het Nederlands drugbeleid wordt gehecht aan preventie geldt het vorenstaande a fortiori waar het gaat om reclame-uitingen die zich richten op kwetsbare groepen als jeugdigen. Gelet op het belang dat dient te worden gehecht aan de uitstraling van het nationaal opsporings- en vervolgingsbeleid over onze landsgrenzen heen, geldt dit tevens voor reclame die zich richt op buitenlandse toeristen die ons land bezoeken.

Strafrechtelijk optreden op grond van artikel 3b Opiumwet is in ieder geval mogelijk als er sprake is van:

1. Het kenbaar maken van prijzen met verkooppunten door middel van elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden langs de weg, posters, folders, magazines, gidsen, tijdens manifestaties e.d.); meer dan slechts ‘beursberichten’.

2. Pseudo-medische of -wetenschappelijke voorlichting, mits kan worden aangetoond dat het in feite een openbaarmaking betreft, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs te bevorderen (bijvoorbeeld een in de vorm van ‘voorlichtingsfolder’ gegoten reclamefolder over softdrugs uitgegeven door en herleidbaar tot een coffeeshop).

3. Overtreding van het afficheringsverbod voor gedoogde coffeeshops (reclame die meer inhoudt dat een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit); bijvoorbeeld een uithangbord of lichtbak aan de gevel of een poster op de ruit.

De Hoge Raad heeft op 25 mei 20045 geoordeeld, dat het op het internet plaatsen van menu’s en prijzen van in een nader aangeduide coffeeshop te verkrijgen cannabis een openbaarmaking is als bedoeld in artikel 3b, lid 1 van de Opiumwet. Aangezien dergelijke uitingen gericht zijn op de bevordering van de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs en internet in deze tijd een voor een groot publiek toegankelijk middel vormt voor kennisneming van dergelijke uitingen, is hierbij sprake van een strafbare openbaarmaking.

De coffeeshophouder die in strijd met bovenstaande regels reclame maakt voor softdrugs riskeert niet alleen strafrechtelijk-, maar ook bestuursrechtelijk optreden. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat voor de coffeeshophouder ook het “Afficheringsverbod” geldt.

Gedoogbeleid geldt niet voor winkels en verkoop via het internet

Het gedoogbeleid voor coffeeshops geldt, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins.

In een vonnis van de rechtbank te Den Haag van 10 juli 20086 komt dit uitgangspunt duidelijk naar voren in het oordeel van de rechtbank.

Citaat uit het vonnis: ·

In de Aanwijzing Opiumwet van het OM staat in paragraaf 2.2.2. dat in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd en die zich houden aan de AHOGJ-criteria, niet strafrechtelijk zal worden opgetreden. In dezelfde paragraaf staat dat dit, vanuit een oogpunt van beheersbaarheid en controleerbaarheid, nadrukkelijk niet geldt voor verkoop van softdrugs in bijvoorbeeld cafés, winkels of afhaalcentra, via een koeriers- of taxibedrijf, een 06-nummer, postorderbedrijf of anderszins’.(3) Uit deze tekst blijkt duidelijk dat het niet is toegestaan softdrugs langs andere kanalen dan coffeeshops te verkopen. Verdachte had dus kunnen begrijpen dat de verkoop via een online coffeeshop, die naar het oordeel van de rechtbank qua bedrijfsopzet vrijwel gelijk te stellen is met een postorderbedrijf, evenmin is toegestaan. Bovendien blijkt uit de tekst van de Aanwijzing dat verdachte zich had moeten informeren over het gemeentelijk gedoogbeleid in [P].

Als hij dat had gedaan, had hij kunnen weten dat ook het coffeeshopbeleid in [P] enkel betrekking heeft op fysieke coffeeshops en niet op online coffeeshops. Achtergrond van die regeling is dat alleen bij fysieke coffeeshops de politie kan controleren of de verkoop uitsluitend meerderjarigen geschiedt en of de verkochte hoeveelheden en de handelsvoorraad binnen de toegestane grenzen blijven. Overigens is er in Nederland geen enkele gemeente die online coffeeshops toestaat”.

Coffeeshops, bevoorrading en productie
Je zou denken dat bij het gedogen van coffeeshops lessen zijn geleerd uit de Nederlandse opiumpolitiek. Door de Nederlandse Staat is in Nederlands Indië gewerkt met zogenoemde opiumkitten waarbij een maximumstelsel en een pachtstelsel golden. Er is zelfs ruime ervaring opgedaan met de productie van opium door de Nederlandse Staat.7 Deze ervaring heeft er niet toe geleid dat het gedoogbeleid voor coffeeshops logisch vorm is gegeven. Het coffeeshopbeleid kenmerkt zich door een gebrek aan logica. Roken van cannabis wordt toegestaan. Tegen het bezit van niet meer dan 5 gram cannabis wordt in beginsel niet opgetreden. Ook tegen de verkoop van kleine hoeveelheden vanuit gedoogde coffeeshops wordt niet opgetreden. De productie van cannabis is verboden. Zelfs een kind begrijpt dat niemand melk kan verkopen of drinken zonder dat een koe wordt gemolken. Het gedoogbeleid is innerlijk tegenstrijdig. Tegen de teelt van hennep wordt streng opgetreden. Met de ene hand wordt gedoogd wat met de andere hand wordt bestreden.

De in september 1995 verschenen nota “Het Nederlandse Drugbeleid, continuïteit en verandering”8 ligt aan de bases van ons huidige drugbeleid. Deze nota wordt ook wel de “Paarse Drugnota” genoemd. Aan het eind van deze nota wordt het gebrek aan logica in het drugbeleid door de beleidsmakers ronduit erkend. Citaat: “op onderdelen bevat het voorgenomen beleid wellicht nog inconsistenties. Bedacht moet worden dat het drugbeleid geen oefening in de logica is maar in het binnen de geldende verdragsrechtelijke kaders beheersbaar houden van een hardnekkige en veelkoppige problematiek die onderhevig is aan de invloed van zich snel wijzigende maatschappelijke en culturele ontwikkelingen in binnen- en buitenland”.

De verkoop van cannabis vanuit coffeeshops is slechts “toegestaan” als niet meer wordt verkocht dan een hoeveelheid die geacht wordt bestemd te zijn voor eigen gebruik, te weten maximaal 5 gram.

In beginsel wordt dezelfde grens gehanteerd ten aanzien van het bezit van softdrugs. Bij de ontdekking van maximaal 5 gram wordt politiesepot toegepast. Er volgt dan geen strafrechtelijke reactie, maar de politieambtenaar is wel bevoegd tot inbeslagneming.

Bij hoeveelheden tussen de 5 en de 30 gram softdrugs volgt bij ontdekking een strafrechtelijke reactie. In de regel wordt in die gevallen een geldboete opgelegd. Er vindt voor opsporing van deze feiten geen gerichte opsporing plaats. Hetgeen hiervoor is beschreven geldt uitsluitend ten aanzien van meerderjarigen (18 jaar en ouder)!

Het Openbaar Ministerie legt in haar beleid uit dat de toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten in het algemeen is gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen beschikbaarheid van mankracht. De grondslag van het gedoogbeleid voor coffeeshops ligt in de afweging van belangen, waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang.

Het gaat hierbij dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit. Dat klinkt mooier dan het in de praktijk is. De bevoorrading van coffeeshops en het aanhouden van handelsvoorraden cannabis ten behoeve van coffeeshops leidt met regelmaat tot strafzaken.

De achterdeurproblematiek
Aangezien de overheid niet gedoogt dat coffeeshophouders cannabis produceren en/of inkopen ten behoeve van de bevoorrading van hun coffeeshop betekent dit dat bij ontdekking van deze handelingen de Officier van Justitie in de praktijk strafvervolging instelt. Als de strafrechter vervolgens vaststelt dat de Opiumwet is overtreden, legt hij aan de dader (de coffeeshophouder en/of zijn personeelslid) een straf op. Het gaat dan immers om een niet gedoogde overtreding van de Opiumwet. Dit levert een paradoxale situatie op die wringt.

Aan de ene kant wordt de verkoop van cannabis gedoogd, maar aan de andere kant wordt de productie van cannabis en de bevoorrading van de coffeeshop niet gedoogd. Deze problematiek, die in de loop der jaren al veel discussiestof heeft doen oplaaien, wordt gewoonlijk aangeduid als de achterdeurproblematiek.

In de beginjaren negentig leek aanvankelijk serieus te worden nagedacht over het legaliseren van cannabis. Toen in 1995 de “Paarse Drugnota”9 verscheen, woedde er een drugsruzie tussen Nederland en Frankrijk. President Chirac had de aanval op het in zijn ogen veel te liberale Nederlandse drugsbeleid hard ingezet. Dat had effect. Plannen voor verdergaande regulering van de coffeeshops verdwenen in de kast. Nederland maakte een pas op de plaats.

Op 20 juni 1998 werd op een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten georganiseerd symposium door de Stichting Drugsbeleid een plan ter regulering van de hennepteelt gepresenteerd. Het plan is als brochure uitgegeven onder de titel “Coffeeshop uit de schaduw”.10 Hiermee werd een politieke discussie over de zogenoemde achterdeur van de coffeeshop in gang gezet.

Tijdens het mondelinge vragenuur op 8 juni 1999 beloofde de Minister van Justitie de Tweede Kamer een notitie aan te bieden waarin zou worden ingegaan op de (on)mogelijkheid tot het houden van lokale experimenten met de zogenoemde achterdeur van coffeeshops.

Bij brief van 7 april 2000 bood de Minister van Justitie de notitie “het pad naar de achterdeur” aan de Tweede Kamer aan.11 Samenvattend luidde de conclusie van deze notitie, dat de regering niet voornemens was het geldende gedoogbeleid voor softdrugs te verruimen, door een opening te maken voor de legale teelt van nederwiet.

Op 27 juni 2000 werd met een meerderheid van één stem in de Tweede Kamer de motie-Apostolou c.s. aangenomen. In deze motie werd de regering opgedragen te bevorderen dat – in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de Opiumwet – richtlijnen zouden worden ontwikkeld op basis waarvan de productie van nederwiet en de toelevering daarvan aan coffeeshops zou worden geregeld.12 De regering heeft geweigerd deze motie uit te voeren.

Daarmee was de politieke discussie rondom dit onderwerp nog niet ten einde.

Op 11 februari 2005 verscheen een artikel in het Nederlands Juristenblad van Mark Teurlings en Peter Cohen onder de titel “het regelen van de “achterdeur” van coffeeshops”.13 Hierin werd betoogd dat het juridisch mogelijk is om de productie – en aanvoer van cannabis naar coffeeshops op legale wijze te regelen. De schrijvers erkenden dat een dergelijke regeling niet eenvoudig is, maar geruststellend merkten zij op dat daar waar een wil is langs internationaal en nationaal spoor een weg is te vinden.

Op 18 maart 2005 publiceerde het Dagblad de Limburger een bijdrage van de Maastrichtse burgemeester Gerd Leers waarin deze pleit voor regulering van teelt en handel van cannabis ten behoeve van coffeeshops. Leers kwam met dit onderwerp diverse malen in de publiciteit.

Hij zocht contact met burgemeesters van grensgemeenten in België en Duitsland en hield een lezing over dit onderwerp in Brussel. De achterdeur van de coffeeshop kwam hierdoor opnieuw op de (internationale) politieke agenda te staan.

Op 28 april 2005 heeft de Tweede Kamer twee moties aanvaard, van de leden Albayrak (PvdA) en Van der Ham (D66). In deze motie werd de regering onder andere verzocht nieuwe scenario’s te onderzoeken voor het oplossen van de “achterdeurproblematiek”.

De regering zou daarin de mogelijkheid dienen te betrekken om zogenoemde “BIGH LB-criteria” voor deugdelijke cannabistelers te ontwikkelen:

  • Boekhouding;
  • Informatieverstrekking;
  • Geen bestrijdingsmiddelen;
  • alleen Hennepplanten verbouwen;
  • alleen Leveren aan coffeeshophouders en
  • deugdelijke Bedrijfsvoering.

Ook zou de regering de mogelijkheid van kleinschalige experimenten met regulering van de achterdeur van coffeeshops toe dienen te staan, zodat de voor- en nadelen hiervan in de praktijk zouden kunnen worden onderzocht. Opnieuw maakte de regering duidelijk niet mee te willen werken aan het reguleren van de hennepteelt ten behoeve van het coffeeshopbeleid. Wel zegde de regering toe dat er een studie zou plaatsvinden naar de juridische mogelijkheden voor het toestaan van een experiment zoals in de motie voorgesteld.14

In december 2005 heeft het T.M.C. Asser Instituut geconcludeerd dat de twee onderzochte relevante VN-verdragen en het toepasselijke recht van de Europese Unie geen ruimte bieden voor het toestaan van de teelt van cannabis ten behoeve van de bevoorrading van coffeeshops. De toegestane teelt van cannabis is beperkt tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden.15

Het meest opvallende aan de gevoerde achterdeur discussies is dat daarbij telkens het accent is gelegd op het reguleren door middel van de gecontroleerde teelt van hennep.

De tegenstanders van verdere regulering kunnen zich daardoor eenvoudig op het standpunt (blijven) stellen dat de internationale verdragen die Nederland als verdragspartij is aangegaan dit eenvoudigweg niet toestaan. Er wordt op deze wijze geen enkele stap voorwaarts geboekt.

Tussendeur beleid
Enkele jaren geleden werd André Beckers benaderd door een tweetal coffeeshophouders uit Rotterdam en Schiedam. Zij hadden contact gehad met een historicus, die hun vol enthousiasme had verteld over de Nederlandse Opiumpolitiek waarover in de inleiding is gesproken. Zij waren geïnspireerd door een uitspraak van premier Balkenende die terug wilde naar de VOC-mentaliteit. “Wil de premier dan misschien diep in zijn hart meer ruimte voor de aanleveringen van cannabis?”, zo redeneerden zij. Vanuit die op de historie gebaseerde gedachte ontwikkelden zij de eerste ideeën over de “tusschendeur”. André heeft dit idee uitgewerkt en van een juridische basis voorzien.

Tussendeur beleid kan op lokaal niveau in de driehoek (politie, justitie en gemeente) worden vastgesteld. Afgesproken kan worden dat tussendeur activiteiten geen aanleiding geven tot strafrechtelijk en bestuurlijk optreden. Het opportuniteitsbeginsel vormt voor de Officier van Justitie de wettelijke basis voor het vaststellen van dergelijke beleidsafspraken. Het criterium voor het achterwege blijven van optreden, is door de Centrale Raad van Beroep gegeven en kan eenvoudig worden overgenomen. Personeelsleden van een illegale hennepteler beschikken volgens de Centrale Raad van Beroep niet over een rechtsgeldige arbeidsoverkomst.16 In dat geval kan geen premieplicht worden aangenomen. Een personeelslid van een coffeeshop dat cannabis vervoert naar de coffeeshop of deze cannabis buiten de coffeeshop verkoopklaar maakt door deze te versnijden en te verpakken handelt in strijd met de Opiumwet en kan geen beroep doen op enig gedoogbeleid. Kan met deze wetenschap dan nog wel sprake zijn van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst? Ja, oordeelde de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 200417.

Hierbij overwoog de hoogste bestuursrechter:

  1. dat de beschreven handelingen onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in coffeeshops en
  2. dat deze handelingen onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop.

Dit is een uiterst logische en juridisch verantwoorde redenering, waarvoor veel valt te zeggen. De coffeeshophouder en zijn personeel worden immers dagelijks in een onmogelijke spagaat gedwongen. Om de gedoogde handelingen in de coffeeshop te kunnen verrichten, moeten zij buiten de coffeeshop een inbreuk maken op de Opiumwet. Het beleid schiet in dit opzicht duidelijk tekort. De Centrale Raad van Beroep loste dit hiaat eenvoudig op.

De politie kan van de driehoek een aanwijzing krijgen om ontdekte handelingen die onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in coffeeshops en die onmiskenbaar ook worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop in samenspraak met de Officier van Justitie te seponeren.

De burgemeester is op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang bij bepaalde overtredingen van de Opiumwet. Deze bevoegdheid is uitgebreid tot iedere lokaliteit (waaronder woningen). Als daarin een handelsvoorraad cannabis, die bestemd is voor de bevoorrading van een coffeeshop, wordt aangetroffen kan sluiting volgen. Artikel 13b van de Opiumwet vormt voor de burgemeester de wettelijke basis voor het vaststellen van handhavingsbeleid in het geval de aangetroffen voorraad bedoeld is voor een gedoogde coffeeshop. De burgemeester kan hierbij vooraf formuleren in welke gevallen en onder welke voorwaarden geen bestuursdwang wordt toegepast.

De juridische argumenten die bij herhaling zijn aangevoerd om experimenten aan de achterdeur te blokkeren gaan hier niet op. De regulering van de tussendeur dient een openbare orde belang en vergroot de transparantie van de coffeeshopbranche. Het voorgestelde beleid heeft geen nadelige invloed op het buitenland, omdat er voor wat betreft de gedoogde verkoop van cannabis niets verandert aan het coffeeshopbeleid. Het voorgestelde beleid neemt slechts een storende inconsistentie weg.

Bij de nadere invulling van dit beleid kunnen heldere voorwaarden worden gesteld. De beschreven handelingen moeten onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop van cannabis in de coffeeshops en deze handelingen moeten onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van die gedoogde verkoop.

De strafbare handelingen die aan de tussendeur plaatsvinden en die onlosmakelijk zijn verbonden aan de gedoogde verkoop zijn:

* het inkopen van cannabis;

* het vervoeren van ingekochte cannabis;

* het bewaren van cannabis;

* het verkoopklaar maken van cannabis;

* het vervoeren van verkoopklaar gemaakte cannabis naar de coffeeshop;

* het na sluiting van de coffeeshop vervoeren van cannabis vanuit de coffeeshop;

Het is voor de continuïteit van de coffeeshopbranche van belang dat een coffeeshophouder in kwantitatief en kwalitatief opzicht telkens over voldoende cannabis beschikt. Bij het ontbreken van handelsvoorraad ontstaat stagnatie bij de verkoop van cannabis.

Dat geeft aanleiding tot zwerfgedrag van klanten wat in het belang van de openbare orde en de volksgezondheid moet worden voorkomen. Met de beleidsafspraak wordt dus een gerechtvaardigd hoger doel gediend.

Dat de genoemde strafbare handelingen onmiskenbaar worden verricht ten behoeve van de verkoop van cannabis vanuit een coffeeshop waarvoor vergunning is verleend kan als volgt blijken c.q. worden gecontroleerd:

* de handeling is verricht door de eigenaar van een vergunninghoudende coffeeshop of door iemand die aantoonbaar werkzaam is voor een dergelijke coffeeshop;

* uit de administratie van de coffeeshop blijkt dat de handelingen onlosmakelijk zijn verbonden aan een gedoogde coffeeshop;

* de inkoop van cannabis en/of de voorraad cannabis is volledig geadministreerd in de bedrijfsadministratie van de coffeeshop;

* er is sprake van een redelijke verhouding tussen de aangetroffen hoeveelheid cannabis en de geboekte omzet in de coffeeshop.

In dit kader kan aan de belastingdienst als convenantpartner een toezichthoudende taak worden toebedeeld. Het is bij uitstek de belastingdienst die kan beoordelen of een voorraad cannabis op correcte wijze in de boekhouding is verantwoord en of deze in redelijke verhouding tot de gedoogde verkoop van cannabis staat. Deze afstemming vergroot de transparantie van de coffeeshop, zodat de integriteit van de coffeeshophouder nog beter kan worden beoordeeld.

De tussendeur variant is niet onopgemerkt gebleven. In het rapport van de Adviescommissie Drugsbeleid (getiteld: “geen deuren, maar daden”) lezen we op pagina 45

Omdat de aanvoer van cannabis naar de coffeeshop illegaal is, staan de eigenaar

en de medewerkers in beginsel onder dreiging van strafrechtelijke vervolging als

ze cannabis ophalen en naar de shop brengen. De ‘tussendeurvariant’ houdt in dat

bepaald wordt dat deze mensen gevrijwaard blijven van strafvervolging indien het

evident is dat zij handelen binnen de gestelde voorwaarden voor het functioneren

van de shop en slechts met het doel om binnen die grenzen de coffeeshop te laten

functioneren. Dit sluit aan op de bestaande praktijk – maar ook hier geldt dat explicitering

geboden is mede in het kader van sterkere inzet van het strafrecht”.

2 Zie www.rechtspraak.nl: LJN: AA8200, Hoge Raad , 01227/99.

3 Aanwijzing Opiumwet, vindplaats: www.om.nl.

4 Zie www.rechtspraak.nl: LJN: AA8143, Raad van State , 200000585/1.

5 Zie op www.rechtspraak.nl : LJN: AO6423, Hoge Raad , 02028/03.

6 Zie www.rechtspraak.nl: LJN: BD7012, Rechtbank ‘s-Gravenhage , 09/754171-07.

7 Edwald Vanvugt, “Wettig opium”, In de Knipscheer, Haarlem, 1985.

8 Tweede Kamer, vergaderjaar 1994–1995, 24 077, nrs. 2–3.

9 “Het Nederlandse drugbeleid; continuïteit en verandering”.

10 Zie: http://www.drugsbeleid.nl/nederlands/index.html.

11 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 24 077, nr. 75.

12 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 24 077, nr. 78

13 NJB, afl. 6 blz. 298-302.

14 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 24 077, nr. 170

15 De studie van het T.M.C. Asser Instituut is getiteld: Experimenteren met het Gedogen van de Teelt van Cannabis ten Behoeve van de Bevoorrading van Coffeeshops – Internationaal rechtelijke en Europees rechtelijke aspecten.

16 Zie de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2002, AB 2002/206.

17 LJN: AQ6684.

Top