Coffeeshops en belasting

Winstbelasting

Coffeeshophouders moeten belasting betalen over de winst die zij maken met de handel in cannabis. Bij eenmanszaken wordt Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen afgedragen en bij rechtspersonen Vennootschapsbelasting. De winst voor belasting is het totaal van de verkopen van cannabis minus de inkopen van cannabis en de door de coffeeshophouder aannemelijk gemaakte bedrijfskosten. De rijksoverheid bevestigt dat “bij coffeeshops sprake is van regulier heffings – en invorderingsbeleid”.

Administratieve verplichtingen

Omdat in het gedoogbeleid niets is geregeld met betrekking tot de inkopen van cannabis opereren de leveranciers van cannabis in de illegaliteit. Uit angst voor ontdekking geven zij bij hun leveringen geen facturen af. In de rechtspraak is met die wetenschap aanvaard dat coffeeshophouders niet beschikken over facturen waaruit de leveringen van cannabis blijken. Door het hele land worden coffeeshops regelmatig door de belastingdienst bezocht. Op basis van artikel 52 AWR worden eisen gesteld aan de administratie. Van coffeeshophouders wordt verlangd, dat zij een kasadministratie en een daarop aansluitende voorraadadministratie voeren. Bij opening van de zaak moet de beginvoorraad gespecificeerd naar soort en gewicht worden vastgelegd. Ook dient op een controleerbare wijze te worden bijgehouden hoeveel van welke soorten in de loop van de dag is bijgevuld en wat er aan het einde van de dag gespecificeerd aan voorraad is overgebleven. Door per soort en per gram de verkoopprijzen te vermelden, kan aan de hand van een dergelijke administratie op dag-niveau worden berekend wat er totaal is verkocht. Als er verschillen optreden als gevolg van snijverlies, weegfouten of wisselfouten kunnen deze eenvoudig worden achterhaald. De beschreven manier van administreren maakt het mogelijk om per dag een aansluiting te maken tussen de kasbeweging en de voorraadbeweging.

Veel coffeeshophouders voelen weerstand bij het uitvoeren van deze administratieve verplichtingen. Dat is logisch, omdat in de praktijk vaker blijkt dat politie en Openbaar Ministerie geheel onverwachts keihard strafrechtelijk optreden tegen de bevoorrading van de coffeeshop. De boekhouding kan dan als bewijs tegen de coffeeshophouder worden gebruikt. Uit de rechtspraak blijkt dat de belastingrechter zich niets aantrekt van de strafrechtelijke positie van de belastingplichtige coffeeshophouder.  Coffeeshophouders die buiten hun coffeeshop een voorraad cannabis aanhouden, moeten dit in hun administratie verwerken. In dat geval moet uit de voorraadadministratie niet alleen blijken welke soorten cannabis er in voorraad worden gehouden, maar ook het gewicht daarvan.[1] Dit betekent dat uit de eigen administratie van de coffeeshophouder dan eenvoudig blijkt dat deze beschikt over niet gedoogde hoeveelheden cannabis.

 


Belastingcontrole

De belastingdienst toont in de praktijk veel interesse in de voorraad cannabis van de coffeeshop. Belastingambtenaren verlangen inzage in de voorraadadministratie en zoeken naar een aansluiting tussen de inkoopadministratie, kasadministratie en voorraadadministratie. Controle van het kasgeldbewegingen en goederenbewegingen is bij uitstek geschikt voor het ontdekken van (structurele) boekfouten. Dat de belastingdienst controleert of op de aangifte op de juiste wijze wordt gedaan is logisch. Vreemd is het dat de belastingdienst tijdens dit soort controles fungeert als oog en oor van de politie, justitie en de gemeente. De ambtenaren van de belastingdienst zijn verplicht melding te maken van vastgestelde overschrijding van gedoogde voorraden cannabis. Ook als zij de voorraad cannabis slechts op basis van de boekhouding kunnen vaststellen.2 

Zeer grof gezegd zien we in de dagelijkse coffeeshoppraktijk twee werkwijzen. Te weten:

  • De coffeeshophouder koopt kilo’s in, registreert betaling en levering ervan in zijn kas-, inkoop- en voorraadadministratie en boekt afzonderlijk de bijkomende kosten zoals bijvoorbeeld de kosten van een koerier en stashkosten;
  • De coffeeshophouder beschikt over een (of meer) vaste leverancier(s) die hem op afroep bevoorraden. De coffeeshophouder heeft buiten zijn coffeeshop geen voorraad.

Aftrekbeperking kosten die verband houden met misdrijven

De coffeeshophouder die voor eigen rekening en risico handelsvoorraden aanhoudt en hiervoor door een strafrechter onherroepelijk wordt veroordeeld, kan geen aanspraak (meer) maken op kostenaftrek. Kosten die verband houden met een dergelijk misdrijf worden van aftrek uitgesloten. (Dit kan met terugwerkende kracht tot maximaal 5 jaar.) Praktisch betekent dit een financiële strop voor de coffeeshophouder.

Indien een coffeeshophouder de gedoogcriteria overschrijdt kan hij wegens overtreding van de Opiumwet worden veroordeeld. Indien de overtreding een misdrijf betreft (> 30 gram) komen de kosten die verband houden met het misdrijf niet voor aftrek in aanmerking. Een voorbeeld. Indien bij een coffeeshophouder een voorraad van 1 kilo cannabis wordt aangetroffen en hij hiervoor wordt veroordeeld (of een schikking met de Officier van Justitie treft), kan de belastingdienst de inkoopkosten van deze kilo cannabis binnen een periode van vijf jaren bij de winst optellen. Deze mogelijkheid bestaat sedert 1 januari 1997 in de Wet op de Inkomstenbelasting.

Belastingrechtspraak

Belastingzaken zijn zeer feitelijk van aard. De belastingdienst zal in beginsel proberen de coffeeshophouder in de positie te brengen dat hij moet bewijzen dat de door hem ingediende aangifte juist is. In de praktijk zoekt de belastingdienst naar administratieve tekortkomingen. Vervolgens schat zij op basis van achterhaalde theoretische brutowinstmarges de winst veel hoger in en verlangt van de coffeeshophouder dat deze bewijst dat de schatting niet juist is. Praktisch gezien is dat een onmogelijke taak. Degene die in een procedure bij de belastingrechter met het bewijs wordt belast, bevindt zich in een bijzonder slechte rechtspositie. Een goede boekhouding biedt de beste bescherming.

Coffeeshops en Omzetbelasting (BTW)

Coffeeshophouders zijn over de leveringen van cannabis geen BTW verschuldigd aan de belastingdienst. Over binnen de gehele Europese Unie absoluut verboden zaken (vals geld en drugs) is de heffing van BTW op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen namelijk niet toegestaan. De gedachte hierachter is dat de handel in absoluut verboden zaken – zoals illegale verdovende middelen en vals geld – uitsluitend aanleiding geven tot het opleggen van straffen en om die reden worden geacht volledig buiten het economische verkeer te vallen.

Over de dranken en spijzen die vanuit coffeeshops worden verkocht, heft de belastingdienst over de verkoopprijs 6% BTW. Bij de verkoop van vloei en filtertips zelfs 21% BTW.

Bij de toepassing van de BTW wetgeving mochten coffeeshophouders de BTW die zij aan andere ondernemers betaalden volledig aftrekken. Gelet op de verhouding tussen de handel in cannabis (ongeveer 90%) en overige handel (10%) kregen coffeeshophouders in de regel iedere maand of kwartaal BTW terug. Aan die situatie is sinds januari 2007 een einde gekomen ten gevolge van een wijziging van artikel 15, lid 1 van de wet op de Omzetbelasting 1968. Sinds 1 januari 2007 is de betaalde BTW nog slechts in zeer beperkte mate (naar rato) aftrekbaar.

1 ECLI:NL:HR:2013:BX7184, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑05‑2013.
2 Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 192, nr. 39.

Top